september 2008: Evidence based

De gelovige heeft weinig boodschap aan ‘evidence based.’ Het duurt jaren voordat feiten worden erkend, bijvoorbeeld dat de aarde om de zon draait. Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie schrijft in NRC/Handelsblad dat 82% van de Amerikanen gelooft dat bidden voor een ernstige ziekte tot genezing leidt en dat 73% denkt dat bidden voor anderen helpt. Waarom geloven zoveel mensen in de effectiviteit van bidden, terwijl wetenschappelijk onderzoek voor dat geloof geen enkele onderbouwing biedt? Mensen, zo schrijft hij, blijven toch bidden omdat ze zich daar prettig bij voelen. Het brengt een ontspanningsrespons te weeg met een daling van het stresshormoon cortisol in het bloed. Maar om dat te bereiken kun je net zo goed naar muziek luisteren of aan yoga doen. Het gaat om wat we tegenwoordig de behoefte aan ‘troost’ noemen.

Gelovigen vind je overal, ook in de onderwijswereld, ook onder professoren. Sieneke Goorhuis-Brouwer, hoogleraar orthopedagogiek vindt VVE maar niets omdat je jonge kinderen niet mag lastigvallen met leren. Dat komt allemaal wel vanzelf, dankzij de aangeboren nieuwsgierigheid van het kleine grut, zegt ze.

Je houdt het niet voor mogelijk. Dat het leren van de peuters en de kleuter enorm bevorderd kan worden, is een breed erkend wetenschappelijk feit. Daarvoor zijn nu juist programma’s die de ‘evidence based’ proef kunnen doorstaan. Ik begrijp nu dat er al enkele jaren geleden sprake van was om de orthopedagogiek maar van de universiteit naar het hbo te degraderen.

 

Het tekort aan ‘evidence based’ onderwijsvernieuwing is een van de belangrijkste leerpunten van de nota Dijsselbloem. Het fiasco van de vernieuwing in het vo is te wijten aan het tekort aan probleemanalyse, experiment, onderzoek en reflectie en een overdaad aan onderwijskundig- en politiek geloof. Tot de dag van vandaag wordt de onderwijsvernieuwing gestuurd door geloof, zoals we zien bij het Nieuwe Leren. Evidentie voor de effecten van zelfstandig leren is er bijvoorbeeld nauwelijks.

Dat de vernieuwingen in het onderwijs vaak niet onderbouwd zijn, kan mede verklaard worden uit de fingerende opvatting dat het RDD-innovatiemodel (research-development- dissimination) niet werkt. Het doen van onderzoek wordt dan nagelaten omdat men het niet relevant vindt.

Waarom werkt het RDD-model wel in de landbouw, althans in Nederland via de universiteit van Wageningen, goed landbouwonderwijs, landbouwvoorlichting en consulenten? Ik denk omdat boeren in eigen bedrijven werken en daarom zekerheid willen over het rendement van vernieuwingen.

 

In het onderwijs wordt nu gepleit voor kenniskringen als vehikel voor innovatie. Wat ik er tot nog toe over gelezen heb, stelt me niet gerust. Wetenschappelijke inbreng raakt al te snel bedolven onder ervaringskunde. De expert functioneert eerder als procesbegeleider dan als kenner van feiten.

De leraar roep al gauw: 'Dat is allemaal theorie, ik ben een man van de praktijk.’ In de landbouw zijn er ook kenniskringen, bijvoorbeeld van rozenkwekers, maar die roepen niet als eerste dat ze van de praktijk zijn. Ze zijn geïnteresseerd in wat voor de roos het beste is.

Ik pleit voor kenniskringen van rozenkwekers en leraren. Misschien een idee om de academische basisschool wat verder te brengen. 

 

Pieter Appelhof